Jannis Kounellis
Jannis Kounellis is geboren in de Griekse havenstad Piraeus en studeerde aan de Kunstacademie van Athene. In 1956 vertrekt hij naar Rome en vervolgt hij zijn artistieke opleiding aan de Accademia di Belle Arti in de Italiaanse hoofdstad.
exposities
In 1960 heeft hij zijn eerste solotentoonstelling bij Gallerie della Tartaruga in Rome en al snel is duidelijk dat hij zich keert tegen de esthetische conventies van de gevestigde kunst. Hij schildert in deze periode zwart-witte doeken waarop hij grafische tekens en letters ‘stempelde’, waarbij het picturale steeds meer verdwijnt uit zijn doeken. In de periode die volgt integreert hij dagelijkse materialen en massaproducten in zijn werk en in 1967 sluit hij zich aan bij de Arte Povera-beweging die door de kunstcriticus Germano Celant als zodanig geformuleerd wordt. Andere kunstenaars van deze beweging zijn Mario Merz, Giovanni Anselmo en Luciano Fabro. Het werk kenmerkt zich door een gebruik van ‘arme’ materialen zoals jute, oude kranten, gaas en asfalt, en ook kan het werk de uitkomst zijn van tijdelijke en vergankelijke processen. Geur, brandsporen en de gevolgen van het vergaan van organisch materiaal vormen als zodanig het onderwerp van het uiteindelijke kunstwerk. Kounellis gaat meer en meer het theatrale in zijn werken opnemen. In 1969 bestond een van zijn exposities zelfs uit twaalf levende paarden die de doorgaans steriele tentoonstellingsruimten deden ruiken naar het echte leven, naar zweet en stront. Zijn ensemblewerken, installaties waarin de hele mise-en-scène het kunstwerk bepaalt en de afzonderlijke onderdelen de rekwisieten ervan vormen, verbeelden het dramatische toneel van het verdwijnen van het Oude Europa. Resten van die Oude Wereld zijn beeldmotieven die regelmatig voorkomen in het oeuvre van Kounellis. Zo symboliseren kapotte, aangetaste of half verbrande klassieke beeldhouwwerken de vergankelijkheid van de klassieke cultuur. Vaak zijn zijn werken pluri-interpretabel; losse fragmenten die hij als geïsoleerde artefacten tentoonstelt, kunnen verschillende interpretaties krijgen. Kounellis kan zichzelf in vaagheden hullen wanneer er vragen over zijn werk komen; niet voor niets wordt hij wel eens met het Orakel van Delphi vergeleken. Net als Pythia, de priesteres van het heiligdom in Delphi, misgunt hij zijn publiek in ieder geval niet de eigen associaties en interpretaties!
In 1960 he had his first solo exhibition at the Gallerie della Tartaruga in Rome; it soon became clear that he opposed the aesthetic conventions of the art establishment. In that period he painted black-and-white canvases on which he ‘stamped’ graphical signs and letters; pictorial elements increasingly disappeared from his canvases.
In the subsequent period he integrated everyday materials and mass-produced products in his work. In 1967 he joined the Arte Povera movement, formulated as such by art critic Germano Celant. Other artists of this movement are Mario Merz, Giovanni Anselmo and Luciano Fabro. Their work is characterised by the use of ‘poor’ materials such as jute, old newspapers, wire mesh and asphalt, and can also be the result of temporary and transitory processes. Smells, fire traces and the results of decayed organic matter are the subject of the eventual work of art.
Kounellis increasingly included theatrical elements in his work. In 1969 one of his exhibitions even consisted of twelve living horses which made the generally sterile exhibition rooms smell like real life, sweat and excrement. His ensemble pieces, installations in which the mise en scène determines the artwork and the separate parts are the props, depict the dramatic events of the disappearance of the Old Europe. Remnants of this Old World are visual motifs which regularly occur in Kounellis’ oeuvre. For instance, broken, decayed or half-burnt classic sculptures symbolise the transitoriness of classic culture.
His work is often open to many interpretations; loose fragments he exhibits as isolated artefacts may have different interpretations. Kounellis tends to be vague when questioned about his work, which is why he occasionally compared with the Oracle of Delphi. Like Pythia, the priestess of the sanctuary in Delphi, he allows his audience to make their own associations and interpretations!